Vorige pagina's:
In 1999 publiceerden we een rapport over de uitputting van de populatie blauwvintonijn in de Middellandse Zee. De biomassa van volwassen blauwvintonijn - de broedvoorraad - was over de afgelopen twintig jaar met tachtig procent verminderd. Elk jaar werden veel te veel jonge tonijnen gevangen en piraatvissers putten de voorraad uit. Het was duidelijk dat er drastische maatregelen genomen moesten worden om de populatie te herstellen.
Helaas is het overbevissen sindsdien niet alleen erger
geworden, maar er is ook een nieuwe industrie bijgekomen die een
extra bedreiging vormt voor het voortbestaan van tonijn in de
Middellandse Zee: tonijn opfokken. Dat is de vangst, het transport en
het vetmesten van tonijn in kooien langs de hele
Middellandse-Zeekust. Industriële vissersboten en sleepboten
varen het hele gebied door op zoek naar tonijn, geassisteerd door een
hele vloot vliegtuigen en helikopters die ondanks het sterk dalende
aantal toch nog scholen tonijn kunnen vinden.
Tonijn opfokken
is een zeer winstgevende activiteit die op de Japanse markt gericht
is. In plaats van minder te vissen en de tonijn te laten herstellen,
hebben snelle winsten voor nieuwe en grotere vissersboten gezorgd,
voor bijkomende opslagfaciliteiten en zelfs nieuwe vliegvelden om de
tonijn te exporteren. Regeringen hebben een aanzienlijke bijdrage
geleverd aan het stimuleren van deze uitbreiding: Subsidies van de
Europese Unie, wel US$34 miljoen sinds 1997, gekoppeld aan grote
investeringen uit Japan en Australië hebben zelfs nog grotere
vangsten gestimuleerd.
Die praktijk heeft geresulteerd in een
toename in de vangst van jonge tonijn, en heeft de beheersproblemen
nog verergerd. Niemand weet het werkelijke aantal blauwvintonijnen
dat in de Middellandse Zee wordt gevangen, maar het is beslist meer
dan de totaal toegestane vangst .
De enorme hoeveelheid vis die nodig is voor het voeren van gekweekte tonijn is ook een probleem. Voor het produceren van één kilo tonijn is tot 20 kilo van vis gemaakt voer nodig. Elk jaar wordt er naar schatting 225.000 ton voer in de Middellandse Zee geworpen, waarvan het meeste uit West Afrika, het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan en Amerika komt. Een rapport heeft onlangs het risico benadrukt van besmettelijke ziekte bij de plaatselijke vissoorten als gevolg van het van vis gemaakte voer, zoals in het verleden is voorgevallen bij tonijnmestbedrijven in Australië. De verbreiding van ziekte onder belangrijke plaatselijke visvoorraden zoals ansjovis of sardine zou een ramp kunnen betekenen voor de plaatselijke vissers. Een onaanvaardbaar risico.
De vraag naar visvoer zorgt er ook voor dat er op soorten wordt gevist die voorheen niet commercieel gevangen werden. Dat is het
geval voor de ronde sardinella in de zee van Alboran, waar grotere
vangsten van deze soort risico opleveren voor één van
de gezondste algemene dolfijnpopulaties in de Middellandse Zee.
Tonijn opfokken in de Middellandse Zee betekent dat een
voorheen algemene hulpbron die door visserijgemeenschappen langs de
hele Middellandse Zee gedeeld werd, nu door slechts enkele
investeerders beheerst wordt. Niet alleen wordt de blauwvintonijn
geprivatiseerd en over-geëxploiteerd, maar ook de andere
visgronden van het gebied worden nu in de waagschaal gesteld